Martin Plasmeijer

Martin Plasmeijer (1940), woont en werkt in de Kwakel onder de rook van Amsterdam. Martin vertegenwoordigt de groep kunstenaars die pas op latere leeftijd de kans kregen uiting te geven aan hun creativiteit. Steevast is het antwoord op de vraag ‘wat wil je later worden als je groot bent?’ in de vriendenboekjes van zijn kleinkinderen: Kunstenaar. Maar kunstenaar word je niet, dat ben je.

Het atelier van Martin is een grote kas waar ooit rozen werden gekweekt. Hij heeft echter ook een dependance aan huis. Zijn werk laat zich kenmerken door het buitenkaderlijk toepassen van de meest uiteenlopende (gebruiks)voorwerpen. Het zwaartepunt ligt echter op industrieel materiaal variërend van een hark tot een rozensorteermachine. Grote inspiratiebron is het kinetische werk van Jean Tinguely.
Indien een grondstof hem interesseert werkt Martin ook aan pure vormgeving. Zo zijn er een aantal bronzen van hem in omloop.

“waar je vandaan komt bepaald voor een deel je leven. Als je uit een groot gezin komt waar kunst geen onderwerp is en er verwacht wordt dat je je steentje bijdraagt, dan is kunstenaar worden geen logische optie, laat staan dat het in je opkomt. Ik werd rozenkweker. Later, veel later, ontdek je wat je aantrekt en wat je wilt, maar dan nog weet je niet hoe je daar uiting aan moet geven. Maar op een gegeven moment komt het er toch uit en struikel je over je eigen ideeën, zoveel zijn het er. En dan krijg je nog haast ook want je wordt ouder. De ruimte waar ik in kan werken is immens en licht. Het is zo groot dat de omvang van mijn werk totaal verdwijnt. Niet dat het me daar om gaat maar ik ben bang dat het in een andere ruimte nogal overdonderend kan zijn.

Bij alles wat ik aan materiaal zie denk ik: kan ik het gebruiken. Dan verdwijnt als het ware de oorspronkelijke functie en zie ik alleen dat wat er mee kan, niet wat er mee zou moeten. Harken worden snorren, deurbeslag wordt wenkbrauw, Afsluiterring wordt zon. Met een kinetisch kunstwerk laat ik ongerijmde voorwerpen met elkaar samenwerken, iets wat ik zelf liever niet doe.”

Tekst : Marc Swart.