1887 - Weg over Boterdijk haalde De Kwakel uit isolement

MENSCHEN DIE voor veertig à vijftig jaren het gehucht Kwakel van nabij kenden, staan tegenwoordig verbaasd, en slaan de handen vol verwondering in elkander bij het aanschouwen der vele verbeteringen, in de laatste jaren alhier 'tot stand gebracht." Dat schreef de Kwakelaar B. Knape in maart 1887. Zijn dorp was juist ontsloten door een nieuwe weg richting Uithoorn en bracht 'reuring'. In de zojuist verschenen De Lange Brug, het blad van de Stichting Oud Uithoorn/De Kwakel, wordt uitgebreid stil gestaan bij de perikelen rondom het verbeteren van de Boterdijk.

Het duurde jaren voordat De Kwakel over zijn achtergesteld zijn heen was, maar op hun beurt beklaagden Uithoornaren zich over het voortrekken van De Kwakel.

Korte tijd na het gereedkomen van verharde Boterdijk en Drechtdijk, we schrijven 1887, kocht Jasper Leenders niet ver van' de driesprong een boerderij, waar hij een bakkerij en café in vestigde. Al het verkeer op de routes Gouda-Amsterdam en Haarlem-Utrecht passeerde De Kwakel. Niet alleen dorpsgenoten haalden een borrel bij Leenders, ook passanten, Ter gelegenheid van het eeuwfeest is een artikeltje aan Leenders gewijd in dit nummer, dat praktisch in zijn geheel aan De Kwakel is gehangen. Timmerman F. Bolle uit Vrouwenakker lustte ook wel eens een borreltje. Dat blijkt uit een brief uit het gemeente-archief, die stamt uit 1884. Dus nog voor opening van 'Leenders', dus die cafébaas zal hem niet teveel geschonken hebben. Maar Leenders heeft er blijkbaar wel mee te maken.

,,Daar ik schuldig ben aan het gedane van gistere avond, maar, wees uw asuwblieft zoo goed en zoekt uw mijn ongeluk niet ik dorst het teege Leenders niet te zegge. Wees uw zoo goed en zeg het niet verder en ik wil uw de moeite en onkoste wel betaale en ik zouw nie meer gedaan hebbe maar ik had een Borrelte gedronke en die deede er ook geen goed aan, Janmaat zeg uw het asuwblieft maar teege niemand en zeg met mijn maar meede wat ik schuldig ben de groete van F. Bolle" Uit een brief van burgemeester Fremerij Kalff aan pastoor Vasse van De Kwakel, is wel duidelijk dat hij in kennelijke staat oneerlijk aan geld gekomen is en dat de burgemeester de pastoor een tientje stuurt, gevonden in de portefeuille van Bolle. Dat tientje was bestemd voor de armen van De Kwakel en met goedvinden van Bolle - onder bedreiging dat er anders vervolging zou komen van zijn misdaad - gegeven.

Schuifdeuren
Spoedig werd zaal 'Leenders' een trekpleister voor heel De Kwakel. Niet enkel voor een borreltje of een glas bier, maar ook voor toneel en muziek. Tussen opkamer en cafézaal was een muur weggebroken en vervangen door schuifdeuren. In een oogwenk kon zodoende het café van een toneel worden voorzien in de opkamer, letterlijk 'tussen de schuifdeuren'. In 1929 werd er een nieuwe zaal gebouwd. Hoe snel men ook werkte, voor de kermis in september kwam de zaal niet gereed. Dit voor De Kwakel belangrijke gebeuren wilde Leenders niet mislopen. Daarom liet hij over de dakspanten die al stonden zeilen spannen. Vergunning om te feesten was er niet en een reiziger uit Amsterdam - achteraf bleek het een opsporings-ambtenaar te zijn - zorgde dat er een bekeuring kwam. Dat zal de pret van de kermisgangers niet gedrukt hebben. 1987 werd Leenders - nu beheerd door schoonzoon P.E. Boxce-ingrijpend verbouwd. In de zaak werken ook zoon Ad en schoonzoon M. Koers. Het aantal passanten zal flink krimpen, als de Noord-zuidroute om De Kwakel voltooid is en de Drechtdijk weer een rustige weg wordt.

Modderig
Iets meer dan honderd jaar geleden waren Boterdijk en Drechtdijk modderige paden, waarover men zich bij slecht weer met gevaar voor have en goed begaf. Begin vorige eeuw stond het gehuchtje bekend als redelijk welvarend. Tegen de concurrentie vanuit het steeds welvarender wordende Uithoorn, met zijn begin van industriële ontwikkeling, kon De Kwakel niet op. 'De verbindingswegen gingen in kwaliteit sterk achteruit en vervoer van betekenis kon uitsluitend nog per boot geschieden. Tussen 1827 en 1868 groeide het inwonertal van Uithoorn van 1258 tot 2024. Dat van De Kwakel daarentegen nam met 40 af tot 326. Een eerste verbetering was de droogmaking van de Legmeerplassen in 1877 en 1888, maar daarmee was de belangrijke verbinding met Uithoorn niet gered. Rond 1860 was men begonnen met een weekmarkt, waarop kaas verhandeld werd. Hoe op tijd de partijen boter en kaas langs de kade in Uithoorn te krijgen, was een groot probleem voor de Kwakelaars.

Eén man heeft zich in het bijzonder ingespannen vóor de totstandkoming van de verharde weg. Het was veehouder Cornelis Conijn. Zijn vader kocht een boerderij aan de Boterdijk en Cornelis, stammend uit een geslacht van Amsterdamse zakenmensen, was niet gewend timide te zijn tegenover de heren van gemeenteraad en college. In een brief met welgekozen bewoordingen protesteerde hij tegen de hem opgelegde Hoofdelijke Omslag- een gemeentebelasting die geheven werd met als maatstaf het vermogen. Uithoornse grondbezitters betaalden minder belasting dan hij. Alleen Mahlstede betaalde evenveel, maar die bezat dan ook de gehele Thamerbuitenpolder terwijl Conijn slechts negen morgen land had. Ongelijkheid van behandeling bespeurde hij ook in het meebetalen aan het onderhoud van het voetpad dat over de Boterdijk liep. Net als zijn buren was hij verhoefslaagd, dat wil zeggen dat hij op moest draaien voor het stuk weg, dat aan zijn land grensde. In het dorp echter, betaalde de gemeente de kosten van wegaanleg en onderhoud.

De Uithoornaren vonden dat ook zij reden tot klagen hadden. De gemeente kon niet opdraaien voor verbeteren van de wegen in De Kwakel, want dat zou meer kosten dan heel De Kwakel aan belasting binnenbrengt. Ruim vijf jaren volgden van discussie in de gemeenteraad en plannenmakerij. Besluiten konden de raad niet zelden passeren, omdat er één stem meerderheid was. Toen er in principe was besloten de weg te verbeteren, was het leed nog niet geleden. Want wie moest wat betalen en hoe diende de zaak aangepakt?

Raadslid Zuydervliet koos voor verhoefslagen. Boeren hebben altijd voor hun eigen stuk weg moeten betalen. Raadslid C. van Vliet was daar tegen. De Dorpsstraat werd toch ook niet verhoefslaagd?

Vruchtbaar
Haast maken moest men ook, want als de polders droog zouden zijn gevallen, kon het wel gebeuren dat er wegen door het nieuwe land zouden komen richting Aalsmeer. En daar zouden neringdoenden alleen maar nadeel van ondervinden. Raadslid Boerlage wilde de nieuwe verbinding via de Amstel laten lopen, zodat Uithoorn niet teveel verkeer zou mislopen. Langs de Kleine Drecht (De Drechtdijk) zou wat hem betrof wel een voetpad kunnen blijven liggen. daar was het Kwakelse Raadslid J. Leenders het niet mee eens . Wat Uithoorn niet zou krijgen, kreeg De Kwakel en de twee vormden één gemeente.

Uiteindelijk mocht ingenieur Leguit, die zich ook verdienstelijk had gemaakt bij de droogmaking van de Legmeerpolders, een plan maken voor de nieuwe weg. De manier waarop de besluitvorming tot stand kwam was een doorn in het oog voor wethouder N. Zuydervliet. Hij klom zelfs in de pen om gedeputeerde staten van de handelwijze van de raad op de hoogte te stellen. Er werd niet op teruggekomen in de raad, dus men mag aannemen dat g.s. Zuydervliet in het ongelijk stelden.

Hij was niet de enige die zich bleef verzetten tegen verharden van de Boterdijk. Zelfs een groep Uithoornaren onder aanvoering van koopman Brautigam richtte een adres aan g.s. De groep voelde zich achtergesteld bij De Kwakel, want de polderlasten bedroegen daar 5 à 6 gulden, terwijl zij 11 tot 15 gulden per hectare betaalden. Bovendien was het land daar vruchtbaarder en werd voor het gehucht De Kwakel jaarlijks vijfhonderd gulden meer uitgegeven dan door dat deel aan belasting wordt betaald. Een argument was dat de bewoners van Uithoorn in 1849 aan de verbetering van de Dorpsstraat hadden meebetaald.

Dat was ongerijmd, vond de gemeenteraad. De enige die daaraan had bijgedragen was ondertekenaar J. Strijland van het adres. De rest van de groep was toen nog niet geboren of
woonde toen nog niet in Uithoorn.
Overigens mocht Strijland het werk aan de wegen uitvoeren. Niet omdat hij de goedkoopste was, maar omdat zijn bedrijf Uithoorns was. Dat scheelde de gemeentekas in de
bedeling van werkloze timmerlieden.

Bron : Uithoornse Courant 13-01-1988 / collectie Andre Winter
Foto: Peter Schat Stichting Oud Uithoorn-De Kwakel.